Kunnen nieuwe strategieën met immunotherapiecombinaties de uitkomsten van patiënten met luminaal B-type borstkanker verbeteren? Dit is onderzocht in de fase 2-NEO-CHECKRAY-studie, waarvan dr. Alexander De Caluwé (Brussel, België) de resultaten tijdens het ESMO Congress 2024 presenteerde. In deze studie ontvingen patiënten een neoadjuvant regime met radio- en chemotherapie met of zonder durvalumab en met of zonder oleclumab. “We zagen met name voordeel van de regimes met immunotherapie bij patiënten met PD-L1-negatieve tumoren.”
Het toevoegen van immuuncheckpointremmers aan neoadjuvante chemotherapie kan de percentages pathologisch complete respons (pCR) bij patiënten met hoogrisico-, luminaal B-type borstkanker verhogen, zo liet Alexander De Caluwé zien. “De vraag is of we ook nieuwe immunotherapiecombinaties, bijvoorbeeld met radiotherapie, in kunnen zetten om de uitkomsten voor deze patiënten verder te verbeteren. Er lijkt namelijk synergie te bestaan tussen radiotherapie en immunotherapie. “Deze synergie lijkt optimaal wanneer de bestraling in neoadjuvante setting plaatsvindt.” Maar, zo liet De Caluwé verder zien, er kan ook immuunresistentie optreden door de aanmaak van adenosine. “Het anti-CD73 monoklonaal antilichaam oleclumab kan deze productie van adenosine echter blokkeren.” Om te onderzoeken of er inderdaad synergistische effecten optreden als radiotherapie gecombineerd wordt met durvalumab en oleclumab, is de academische fase 2-NEO-CHECKRAY-studie opgezet.1
Drie dagelijkse fracties van 8 Gy
In deze studie werden 135 patiënten met vroegstadium-, hoogrisico-, ER-positieve, HER2-negatieve borstkanker geïncludeerd. Zij werden in een verhouding van 1:1:1 gerandomiseerd naar een van drie studiearmen: 1. neoadjuvante radiotherapie (de controlearm), 2. neoadjuvante radiotherapie plus durvalumab of 3. neoadjuvante radiotherapie plus durvalumab en oleclumab. Alle patiënten ontvingen tevens neoadjuvante chemotherapie en de bestraling vond plaats in drie dagelijkse fracties van 8 Gy, alleen op de primaire tumor. De primaire uitkomstmaat van de studie was het percentage patiënten met een residual cancer burden (RCB) van 0 of 1 en de secundaire uitkomstmaat was het pCR-percentage. De hypothese was dat het percentage patiënten met RCB 0 of 1 zou toenemen van 15% in de controlearm naar 45% in beide experimentele armen.
Verdubbeling pCR
“Wat betreft de primaire uitkomstmaat zagen we een hoger dan verwacht percentage patiënten met RCB 0 of 1 in de armen met immunotherapie (51,1% in zowel arm 2 als arm 3), maar ook in arm 1 (37,8%). Daarom behaalde de studie niet de primaire uitkomstmaat (OR 1,7 en p=0,2031 voor arm 3 versus 1)”, zei De Caluwé. Er was een verdubbeling van de pCR-percentages in arm 2 en 3 (respectievelijk 33,3% en 35,6%) ten opzichte van arm 1 (17,8%; OR 2,6 en p=0,0565 voor arm 3 versus 1; OR 2,3 en p=0,0907 voor arm 2 versus 1). In de subgroep van patiënten met PD-L1-negatieve tumoren (immune cell (IC)-score <1%) werd een groot verschil in pCR gezien tussen arm 1 (3,8%) ten opzichte van arm 2 met durvalumab (34,6%) en arm 3 met durvalumab en oleclumab (33,3%). De pCR-percentages bij PD-L1-positieve tumoren waren 38,9% in arm 1, 31,6% in arm 2 en 38,9% in arm 3.
“Het bijwerkingenprofiel liet geen verrassingen zien”, aldus De Caluwé. “In de studiearmen met immunotherapie werden ongeveer 7% meer ernstige bijwerkingen gerapporteerd.” De meest voorkomende immuungerelateerde bijwerkingen waren schildklierfunctiestoornissen. Er werden geen bijwerkingen van graad 3 of 4 als gevolg van de radiotherapie gemeld en ook kon chirurgie zonder uitstel uitgevoerd worden.
De Caluwé concludeerde dat het voordeel van een schema met neoadjuvante radio- en chemotherapie met durvalumab en oleclumab vooral gezien wordt bij patiënten met PD-L1-negatieve tumoren.
Referentie
1. De Caluwé A, et al. Ann Oncol 2024;35(suppl 2): abstr LBA10.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist