Adjuvante behandeling met durvalumab versus placebo is niet geassocieerd met een significant betere ziektevrije overleving bij patiënten met compleet gereseceerd, PD-L1-positief stadium IB-IIIA niet-kleincellig longcarcinoom. Daarnaast was durvalumab geassocieerd met een toename in het aantal geobserveerde bijwerkingen. Deze resultaten van de fase 3-BR.31-studie werden tijdens het ESMO Congress 2024 gepresenteerd door prof. dr. Glenwood Goss (Ottawa, Canada).
Op basis van de positieve resultaten van de PACIFIC-studie is adjuvante behandeling met durvalumab nu de standaard bij patiënten met inoperabel, PD-L1-positief, lokaal gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC), zonder progressieve ziekte na gelijktijdige chemo-radiotherapie.1 Bij patiënten met operabel, PD-L1-positief, lokaal gevorderd NSCLC lieten resultaten van de IMpower010-studie zien dat adjuvant atezolizumab versus best supportive care weliswaar geassocieerd was met een significant betere ziektevrije overleving (DFS), maar dat de winst in algehele overleving beperkt was.2
In de gerandomiseerde fase 3-BR.31-studie wordt de werkzaamheid en veiligheid onderzocht van adjuvant durvalumab versus placebo na adjuvante chemotherapie bij patiënten met compleet gereseceerd stadium IB-IIIA-NSCLC. De primaire uitkomstmaat is de DFS bij patiënten met een PD-L1-tumorcel (TC)-expressie van minimaal 25% en wildtype EGFR en ALK (wtEGFR/ALK).
Geen significant betere DFS
Glenwood Goss vertelde dat de baseline kenmerken van beide 2:1 gerandomiseerde studiearmen in balans waren, met als uitzondering dat de placeboarm iets meer patiënten met een plaveiselcelcarcinoom bevatte dan de durvalumabarm (35,1% versus 28,5%).3 “Na een mediane follow-up van 60,0 maanden was de mediane DFS in de populatie met PD-L1 ≥25%/wtEGFR/ALK in de durvalumabarm (n=316) niet significant verschillend van die in de placeboarm (n=161; mediane DFS: 69,9 versus 60,2 maanden; HR 0,935; 95% BI 0,706-1,247; p=0,642).” Ook in de wtEGFR/ALK-populatie met een PD-L1-TC-expressie van minimaal 1% en in de all comers wtEGFR/ALK-populatie was er geen significant DFS-verschil tussen durvalumab en placebo. In subgroepen op basis van patiënt- of tumorkenmerken was er evenmin een DFS-verschil tussen beide studiearmen.
Meer bijwerkingen
Bijwerkingen die minimaal mogelijk gerelateerd waren aan de behandeling (TRAE’s) kwamen voor bij 72,7% van de patiënten in de durvalumabarm versus 53,5% van de patiënten in de placeboarm. TRAE’s van graad 3 of 4 werden geconstateerd bij respectievelijk 13,0 en 4,5% van de patiënten. In de durvalumabarm overleden zeven patiënten (0,7%) door een TRAE versus geen van de patiënten in de placeboarm.
Goss: “Ernstige bijwerkingen die minimaal mogelijk gerelateerd waren aan de behandeling kwamen voor bij respectievelijk 10,1 en 3,6% van de patiënten en TRAE’s leidden tot stopzetting van de behandeling bij 12,5 en 2,8% van de patiënten. Deze resultaten met durvalumab komen overeen met het bekende veiligheidsprofiel.”
Referenties
1. Antonia SJ, et al. N Engl J Med 2018;379:2342-50.
2. Felip E, et al. Ann Oncol 2023;34:907-19.
3. Goss G, et al. Ann Oncol 2024;35(suppl 2): abstr LBA48.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer