Vitamine C-suppletie bij patiënten met laagrisico myeloïde maligniteiten laat een significante verbetering van de algehele overleving zien ten opzichte van placebo. Dit blijkt uit de resultaten van de EVI-2-studie. “Maar aangezien dit een relatief kleine fase 2-studie is, moeten we deze resultaten voorzichtig interpreteren”, zei Stine Mikkelsen (Kopenhagen, Denemarken) tijdens de Late Breaking Oral Session van het EHA2024 Hybrid Congress.
Er is een behoefte aan ziektemodificerende behandelstrategieën voor patiënten met laagrisco myeloïde maligniteiten en de precursoraandoening clonal cytopenia of undetermined significance (CCUS). “Somatische loss of function-mutaties in TET2 zijn veelvoorkomend bij myeloïde maligniteiten en CCUS”, zei Stine Mikkelsen. Niet alleen is vitamine C een co-factor voor TET2, ook hebben veel patiënten met myeloïde maligniteiten een vitamine C-deficiëntie. “Vitamine C-suppletie kan dan ook een aantrekkelijke therapeutische strategie zijn voor patiënten met laagrisico myeloïde maligniteiten en CCUS om residuele TET2-activiteit te versterken of om functioneel defect TET2 te herstellen.” Of dit daadwerkelijk zo is, is onderzocht in de gerandomiseerde, placebogecontroleerde, dubbelblinde fase 2-EVI-2-studie.1
Preliminaire data
In deze studie werden 109 patiënten met laagrisico myelodysplastisch syndroom/myeloproliferatieve neoplasmen of CCUS in een verhouding van 1:1 gerandomiseerd naar een orale behandeling met vitamine C (1.000 mg/dag gedurende twaalf maanden) of placebo. De primaire uitkomstmaat was een verandering in de variant-allelfrequentie van somatische mutaties in hematopoëtische stamcellen of voorlopercellen. Mikkelsen presenteerde voor deze uitkomstmaat de preliminaire data (voor 66 van de 109 patiënten). “We verwachten de finale resultaten in september 2024.” Belangrijke secundaire uitkomstmaten waren de vitamine C-concentratie in het perifere bloed, veiligheid en algehele overleving (OS). Van deze uitkomstmaten presenteerde Mikkelsen wel de finale data.
Geen goede surrogaatuitkomstmaat
“Bij 57% van de patiënten waren de vitamine C-concentraties in het perifere bloed deficiënt of onvoldoende”, zei Mikkelsen. “We zagen ook dat de vitamine C-concentraties bij alle patiënten die vitamine C-suppletie ontvingen snel herstelden. “Op het moment dat we deze studie ontwierpen, in 2017, was nog niet duidelijk dat de variant-allelfrequentie eigenlijk geen goede surrogaatuitkomstmaat is voor de setting zoals onderzocht in de EVI-2-studie. We zien in de preliminaire resultaten van de variant-allelfrequentie tot nu toe dan ook geen verschillen tussen beide studiearmen bij studie-inclusie en aan het eind van de behandeling.”
Verrassende bevinding
Ernstige bijwerkingen werden vaker gerapporteerd in de placebogroep (bij 56% van de patiënten) dan in de vitamine C-groep (bij 33% van de patiënten). Neutropenie en anemie waren de meest gerapporteerde bijwerkingen in beide groepen. “Een verrassende bevinding betrof de OS”, zei Mikkelsen. “Na een mediane follow-up van 33,5 maanden was de OS 42,2 maanden in de placebogroep en nog niet behaald in de vitamine C-groep (HR 0,35; 95% BI 0,17-0,71; p=0,0025).” Vanwege een lichte onbalans in de patiëntkarakteristieken op baseline is een multivariabele analyse uitgevoerd. Deze liet zien dat vitamine C-suppletie geassocieerd was een onafhankelijke statistisch significante afname in mortaliteit na correctie voor leeftijd, geslacht en CCUS-diagnose.
Mikkelsen concludeerde dat suppletie met vitamine C bij laagrisico myeloïde maligniteiten en precursoraandoeningen een significante verbetering van de OS laat zien, al moeten deze resultaten volgens haar voorzichtig geïnterpreteerd worden, aangezien dit een relatief kleine fase 2-studie betreft. “Maar deze resultaten rechtvaardigen wel een grotere fase 3 studie met voldoende power voor het aantonen van een verschil in OS”, aldus Mikkelsen.
Referentie
1. Mikkelsen SU, et al. EHA 2024; abstr LB3444.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist