Een behandeling met epcoritamab leidt tot een objectief responspercentage van 53% bij patiënten met Richter’s transformatie, vertelde prof. dr. Arnon Kater (Amsterdam UMC) in zijn presentatie over de primaire resultaten van de EPCORE-CLL-1-studie tijdens het EHA2024 Hybrid Congress. “In totaal had 42% van de patiënten een complete respons en we zagen ook veelbelovende resultaten bij de patiënten die epcoritamab als eerstelijnsbehandeling voor Richter’s transformatie ontvingen.”
Bij ongeveer 2 tot 10% van de patiënten met chronische lymfatische leukemie (CLL) of kleincellig lymfocytair lymfoom (SLL) is er sprake van transformatie naar een agressiever subtype lymfoom (meestal diffuus grootcellig B-cellymfoom): Richter’s transformatie (RT). Er is tot op heden geen standaardbehandeling voor patiënten met RT. “Maar het reactiveren van T-cellen is een mogelijke interessante benadering voor deze ziekte”, zei Arnon Kater.1 Epcoritamab is een subcutaan bispecifiek antilichaam dat bindt aan CD3 op T-cellen en CD20 op B-cellen en zo een T-celgemedieerde dood van CD20-positieve B-cellen induceert. “Initiële data bij tien RT-patiënten lieten een veelbelovende antitumoractiviteit van epcoritamab zien.”2
Eerstelijnsbehandeling voor RT
Kater presenteerde tijdens het EHA-congres de resultaten van het RT-expansiecohort van de EPCORE-CLL-1-studie.3 Hierin waren 42 patiënten met RT geïncludeerd met CLL of SLL in de voorgeschiedenis en een bevestigde transformatie naar CD20-positief DLBCL. Zij werden behandeld met epcoritamab tot aan ziekteprogressie. De primaire uitkomstmaat van de studie was het objectieve responspercentage (ORR). De mediane follow-up was 12,9 maanden.
“Van 38 patiënten waren werkzaamheidsdata beschikbaar”, zei Kater. “De ORR bij deze patiënten was 53% en 42% van de patiënten behaalde een complete respons (CR).” Kater splitste deze resultaten vervolgens naar patiënten die epcoritamab als eerstelijnsbehandeling voor RT ontvingen en patiënten die epcoritamab als tweede- of laterelijnsbehandeling voor RT ontvingen. “Bij patiënten die epcoritamab als eerstelijnsbehandeling voor RT ontvingen was de ORR 60% en had 50% van de patiënten een CR. De ORR was 44% en de CR 33% voor patiënten die al eerder een behandeling voor RT hadden gehad.”
Korte tijd tot respons
De mediane tijd tot respons was kort (1,4 maanden), evenals de mediane tijd tot een CR (2,5 maanden). De mediane duur van de respons was 9,6 maanden. Kater: “De mediane PFS was 2,9 maanden, maar deze korte PFS werd voornamelijk veroorzaakt door de non-responders. Patiënten met een respons hebben wel een betekenisvolle PFS.” Het geschatte PFS-percentage na 9 maanden was 64% bij deze responders. De mediane OS was 11,7 maanden in de gehele studiepopulatie en nog niet bereikt bij de patiënten die epcoritamab als eerstelijnsbehandeling voor RT ontvingen.
De veiligheidsanalyse liet met name cytokinereleasesyndroom zien (voornamelijk graad 1 en 2) en infecties (ook voornamelijk graad 1 en 2). Wat betreft de hematologische toxiciteit zei Kater: “We zagen relatief veel cytopenieën, maar dat komt doordat er bij veel patiënten al sprake was van cytopenieën voor ze met de studie startten. Bij alle patiënten met een respons verdwenen de cytopenieën, wat aangeeft dat deze waarschijnlijk gerelateerd zijn aan de infiltratie en functie van het beenmerg en niet zozeer een geneesmiddelspecifieke toxiciteit betreffen.”
Kater concludeerde dat monotherapie met epcoritamab bij patiënten met hoogrisico-RT een veelbelovende werkzaamheid en verdraagbaar veiligheidsprofiel liet zien. “Deze data ondersteunen verder onderzoek naar epcoritamab bij RT. Zo kijken we in de EPCORE-CLL-1-studie bij CLL-patiënten naar de combinatie van epcoritamab plus venetoclax, en bij RT-patiënten naar epcoritamab plus R-CHOP en epcoritamab plus lenalidomide.”
Referenties
1. Al-Sawaf O, et al. Nat Med 2024;30:240-8.
2. Kater AP, et al. Blood 2022;140 (Suppl 1): 850-1.
3. Kater AP, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S163.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2024 vol 9 nummer 2
Commentaar prof. dr. Arnon Kater, internist-hematoloog, Amsterdam UMC
Tijdens het EHA2024 Hybrid Congress werden verschillende interessante studies gepresenteerd op het gebied van de diagnostiek en behandeling van chronische lymfatische leukemie (CLL). Bijvoorbeeld van de fase 3-SEQUOIA-studie, waarin in arm D de uitkomst wordt onderzocht van zanubrutinib in combinatie met venetoclax bij patiënten met niet eerder behandelde CLL of kleincellig lymfocytair lymfoom (SLL) met een deletie van 17p (del(17p)) en/of TP53-mutatie.1 Vrijwel alle nationale en internationale richtlijnen adviseren momenteel om deze patiënten in de eerste lijn te behandelen met een BTK-remmer als monotherapie. Deze therapie is geassocieerd met een relatief goede progressievrije overleving (PFS), maar heeft als nadeel dat het tot aan progressie gegeven dient te worden en daardoor geassocieerd is met een lange blootstelling en dus een risico op bijwerkingen en aanzienlijke kosten. Bovendien hebben patiënten die na verloop van tijd resistente ziekte krijgen frequent nieuwe mutaties in BTK en/of PLCg. Deze mutaties leiden tot resistentie tegen de covalent bindende BTK-remmers. Vanwege deze nadelen is er behoefte aan effectieve behandelingen die wel beëindigd kunnen worden. De resultaten van de CAPTIVATE-studie lieten zien dat bij patiënten met CLL/SLL en del(17p) en/of TP53-mutaties behandeling met vijftien cycli ibrutinib plus venetoclax geassocieerd is met een vierenhalfjaars-PFS van 45%.2 Vergeleken met ibrutinibmonotherapie lijkt dit misschien iets slechter, maar mogelijk kun je patiënten wel beter rescuen, omdat ze vaak voor een aanzienlijke periode geen therapie hebben gehad.
Een studie die ik heb gepresenteerd is de fase 1b/2-EPCORE-CLL-1-studie bij patiënten met Richter’s transformatie (RT) na CLL. Deze patiënten worden gewoonlijk behandeld met R-CHOP, wat geassocieerd is met een percentage complete respons (CR) van minder dan 20% en een mediane algehele overleving van korter dan een jaar. In deze populatie is er dus duidelijk sprake van een unmet need. Nu is het zo dat de meeste studies waarin patiënten met CLL worden geïncludeerd, RT uitsluiten en datzelfde geldt voor studies bij diffuus grootcellig B-cellymfoom. Er zijn dus maar heel weinig studies waarin specifiek gekeken werd naar effectiviteit bij RT. In de EPCORE-CLL-1-studie worden patiënten met al dan niet eerder behandelde RT volgens een step-up-schema behandeld met het CD3/CD20-specifieke antilichaam epcoritamab. Uit de primaire resultaten bleek dat na een mediane follow-up van 12,9 maanden epcoritamab geassocieerd was met een objectief responspercentage van 53% en een CR-percentage van 42% bij 38 evalueerbare patiënten.3 Bij patiënten die epcoritamab als eerste- of laterelijnsbehandeling voor RT ontvingen was het CR-percentage respectievelijk 50 en 33%. In welke lijn epcoritamab het beste gegeven kan worden, is momenteel punt van discussie en zal in studieverband verder worden onderzocht. De mediane PFS was 2,9 maanden in de totale groep. Dit is zeer kort, maar het bleek vooral het gevolg van de beduidend kortere PFS bij de non-responders vergeleken met de responders. Verder kwam cytokinereleasesyndroom voor bij 83% van de patiënten. Deze bijwerking was bij vrijwel alle patiënten van graad 1 of 2, kwam met name voor tijdens de eerste behandelcycli en was goed te verminderen met tocilizumab.
Referenties
1. Ma S, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S160.
2. Ghia P, et al. Blood 2023;142(suppl 1):633.
3. Kater AP, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S163.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt prof. dr. Arnon Kater naast bovenstaande studieresultaten ook die van een fase 1-studie naar behandeling met de nieuwe BCL2-remmer sonrotoclax in combinatie met zanubrutinib bij patiënten met gerecidiveerd of refractair CLL/SLL. Daarnaast werden onder andere BTK-degraders en de prognostische waarde van TP53-mutaties bij CLL besproken. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts