Behandeling met het BrECADD-regime is beter verdraagbaar en resulteert in een superieure progressievrije overleving ten opzichte van het eBEACOPP-regime bij patiënten met gevorderd klassiek hodgkinlymfoom. Dat blijkt uit de finale analyse van de HD21-studie, die dr. Peter Borchmann (Keulen, Duitsland) presenteerde tijdens het EHA2024 Hybrid Congress.
De introductie van het eBEACOPP-regime heeft de progressievrije en algehele overleving (PFS en OS) van patiënten met klassiek hodgkinlymfoom (cHL) verbeterd, maar voor patiënten met een laag risico op progressie weegt het klinisch voordeel mogelijk niet op tegen de acute en late toxiciteit. Op geleide van PET kan de intensiteit van dit regime voor de meeste patiënten verminderd worden tot vier in plaats van acht kuren.
BrECADD versus eBEACOPP
Om te komen tot een minder toxische behandeling, werd in de HD21-studie het eBEACOPP-regime gemodificeerd tot het BrECADD-regime. De backbone van doxorubicine, cyclofosfamide en etoposide bleef behouden. Brentuximab vedotin werd geïntroduceerd in plaats van bleomycine en vincristine, en procarbazine werd vervangen door dacarbazine. Bovendien werd veertien dagen prednison vervangen door vier dagen dexamethason. “Naast een verbeterde veiligheid is dit een veel handiger schema voor patiënten en behandelaars, met een kortere behandelduur”, aldus Peter Borchmann.
In de internationale fase 3-HD21-studie werd BrECADD vergeleken met eBEACOPP bij 1.482 volwassenen jonger dan 60 jaar met niet eerder behandeld, gevorderd cHL. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd tussen BrECADD en eBEACOPP. Na twee kuren werd een PET-scan gemaakt. PET2-negatieve patiënten kregen vervolgens nog twee kuren, en PET2-positieve patiënten nog vier kuren van hetzelfde regime. Het aantonen van verbeterde verdraagbaarheid en non-inferioriteit voor effectiviteit waren de primaire doelstellingen.1
Betere verdraagbaarheid
Acute en late behandelingsgerelateerde bijwerkingen kwamen significant minder vaak voor met BrECADD dan met eBEACOPP (relatief risico 0,72; p<0,0001), en dit voordeel werd gezien in alle subgroepen. Dit verschil was klinisch relevant, met verminderde transfusiefrequentie van rode bloedcellen (24% versus 52%) en bloedplaatjes (17% versus 34%), en minder perifere neuropathie (6% versus 14%). Vrijwel alle behandelingsgerelateerde bijwerkingen (>99%) verdwenen na verloop van tijd. Ook was in de BrECADD-arm een beter herstel van de gonadale functie zichtbaar dan in de eBEACOPP-arm.2
“Deze betere verdraagbaarheid resulteerde in minder dosisreducties”, vertelde Borchmann. Na vier kuren ontving 77,8% van de patiënten in de BrECADD-arm de volledige dosis, tegenover 58,5% in de eBEACOPP-arm. Brentuximab vedotin moest vroegtijdig gestaakt worden bij 2,4% van de patiënten, terwijl vincristine gestaakt werd bij 18,0% van de patiënten.
PFS-voordeel
In de finale analyse bij een mediane follow-up van 48 maanden vertaalde zich dit in een significant betere PFS met BrECADD ten opzichte van eBEACOPP (HR 0,66; p=0,035). De geschatte vierjaars-PFS was 94,3% met BrECADD en 90,9% met eBEACOPP. De OS na vier jaar was in beide groepen meer dan 98%, zoals verwacht. Het PFS-voordeel was in alle relevante subgroepen zichtbaar, inclusief die op basis van IPS-risicofactor of PET2-status.
Borchmann: “We hebben ons niet gericht op dit resultaat, we wilden non-inferioriteit aantonen. De effectiviteit van BrECADD is superieur ten opzichte van eBEACOPP met een niet eerder geziene PFS van 94,3% bij een follow-up van vier jaar. De meeste patiënten (64%) ontvingen maar vier kuren, dus de behandeling is in twaalf weken afgerond, en de cumulatieve dosis van cytotoxische middelen blijft onder de kritieke grenzen. Daarom bevelen we BrECADD op individuele PET-geleide aan als nieuwe standaard behandeloptie voor gevorderd cHL.”
Referenties
1. Borchmann P, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S225.
2. Ferdinandus J, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr 228.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist