Decentrale productie van CAR-T-cellen met een korte tijd tussen leukaferese en infusie is haalbaar, zo blijkt uit de resultaten van de fase 1/2-ATALANTA-1-studie. “We zagen daarbij hoge responspercentages bij verschillende indicaties”, zei prof. dr. Marie José Kersten (Amsterdam UMC), die de resultaten van deze studie tijdens het EHA2024 Hybrid Congress presenteerde.
“Het verkorten van de tijd van leukafarese tot infusie bij chimere antigeenreceptor (CAR)-T-celtherapie kan de behandeling versnellen, het aantal patiënten dat uitvalt verminderen en klinische uitkomsten van patiënten verbeteren”, zei Marie José Kersten. De haalbaarheid, veiligheid en werkzaamheid van het gedecentraliseerd en geautomatiseerd produceren van CAR-T-cellen gericht tegen CD19 (het CAR-T-celproduct GLPG5101) is onderzocht in de fase 1/2-ATALANTA-1-studie.1 “In het fase 1-deel van de studie (de dosisescalatiefase) zijn patiënten met diffuus grootcellig B-cellymfoom (DLBCL), indolent lymfoom en mantelcellymfoom geïncludeerd. In het fase 2-deel (de expansiecohorten) worden naast deze indicaties ook cohorten toegevoegd met burkittlymfoom en primair centraalzenuwstelsellymfoom”, zei Kersten.
Zeven dagen
Na screening voor de studie ondergingen patiënten leukaferese (dag -7), waarna op de volgende dag het decentrale productieproces van de CAR-T-cellen startte. Patiënten ontvingen een conditioneringsregime met fludarabine en cyclofosfamide op dag -6 tot dag -4 en op dag 0 vond een enkele infusie met GLPG5101 plaats. Belangrijke doelen van het fase 1-deel van de studie waren het bepalen van het veiligheidsprofiel en de aanbevolen fase 2-dosering. Voor het fase 2-deel van de studie was het objectieve responspercentage (ORR) de primaire uitkomstmaat.
Voor fase 1 zijn twintig patiënten gescreend en waren er zestien evalueerbaar en voor fase 2 zijn 26 patiënten gescreend en bleken er vijftien evalueerbaar (onder andere door screenfailures en omdat voor sommige geïncludeerde patiënten de aferese of infusie nog plaats moet vinden). De mediane tijd van leukaferese tot infusie was zeven dagen.
Complete respons bij 56%
“Bij alle patiënten was er sprake van behandelingsgerelateerde bijwerkingen zoals we kunnen verwachten van CAR-T-celtherapie”, zei Kersten. Bijwerkingen van graad 3 of 4 waren voornamelijk hematologisch van aard (onder andere neutropenie, trombocytopenie en anemie). Wat betreft de bijwerkingen van speciale interesse werd cytokinereleasesyndroom gerapporteerd, voornamelijk graad 1/2. Het risico op neurologische toxiciteit (ICANS) was over het algemeen laag. Drie patiënten overleden tijdens de studie, waarvan twee tijdens de behandelperiode.
De ORR was 78% bij DLBCL-patiënten (n=9), met een complete respons (CR) bij 56%. Bij patiënten met indolent lymfoom (n=15) was de ORR 94%; zij hadden allen een CR. “De vijf patiënten met mantelcellymfoom hadden allemaal een CR.” Met een mediane follow-up van 13,1 maanden was 71% van de patiënten in het dosisescalatiecohort nog in remissie, en dit was voor 100% van de responderende patiënten in het expansiecohort het geval, maar hier was de follow-up nog maar kort (4,2 maanden).
Kersten concludeerde dat de resultaten van de ATALANTA-1-studie laten zien dat het haalbaar is om de CAR-T-celproductie te decentraliseren, waarbij een korte tijd (zeven dagen) tussen leukaferese en infusie mogelijk is. “De cellen expanderen goed in vivo en we zien hoge CR-percentages bij verschillende indicaties”, aldus Kersten.
In een podcast bespreken dr. Jurjen Versluis en dr. Pim Mutsaers interessante studies op het gebied van lymfomen, gepresenteerd tijdens het EHA2024 Hybrid Congress. Zij gaan naast de STARGLO-, ATALANTA-1-, HOVON 151- en ECHO-studie in op de resultaten van de HD21-studie naar BRECADD versus BEACOPP bij gevorderd hodgkinlymfoom. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts
Referentie
1. Kersten MJ, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S243.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2024 vol 9 nummer 2