Uit de resultaten van de gerandomiseerde fase 3-APOLLO-studie blijkt dat eerstelijnsbehandeling met ATRA plus arseentrioxide versus ATRA plus chemotherapie geassocieerd was met een significant betere tweejaars eventvrije overleving bij patiënten met hoogrisico acute promyelocytenleukemie. Verder was de incidentie van hematologische bijwerkingen beduidend lager met ATRA plus arseentrioxide dan met ATRA plus chemotherapie. Deze resultaten werden tijdens het EHA2024 Hybrid Congress gepresenteerd door prof. dr. Uwe Platzbecker (Leipzig, Duitsland).
All-trans retinoic acid (ATRA) plus chemotherapie (CHT) is een standaard eerstelijnsbehandeling bij patiënten met acute promyelocytenleukemie (APL). Uit de resultaten van de APL0406-studie bleek echter dat bij patiënten met laag- of intermediair-risico-APL behandeling met ATRA gecombineerd met arseentrioxide (ATO) vergeleken met ATRA plus CHT geassocieerd was met een significant betere eventvrije en algehele overleving (EFS en OS).1 De werkzaamheid van ATRA plus ATO bij patiënten met hoogrisico-APL is nog onduidelijk.
In de gerandomiseerde fase 3-APOLLO-studie wordt de uitkomst onderzocht van ATRA plus ATO (en twee initiële doses idarubicine) versus ATRA plus CHT bij patiënten met nieuw-gediagnosticeerd hoogrisico-APL. De primaire uitkomstmaat is de EFS na twee jaar.
Betere EFS
Uit de APOLLO-resultaten blijkt dat na een mediane follow-up van 31 maanden ATRA plus ATO (n=68) versus ATRA plus CHT (n=63) geassocieerd was met een significant betere tweejaars-EFS.2 “De tweejaars-EFS was 88% met ATRA-ATO versus 70% met ATRA-CHT (p=0,02) en de vijfjaars-EFS was respectievelijk 87 en 55% (p=0,0034). Tussen beide studiearmen werd geen significant verschil in OS gevonden. De tweejaars-OS was 93% met ATRA-ATO versus 87% met ATRA-CHT (p=0,17) en de vijfjaars-OS respectievelijk 93 en 82% (p=0,17)”, vertelde Uwe Platzbecker.
Minder hematologische toxiciteit
Platzbecker vertelde verder dat ATRA plus ATO geassocieerd was met veel minder hematologische toxiciteit. “Zo kwamen trombocytopenie en neutropenie van graad 1 tot en met 4 (voor een periode van meer dan vijftien dagen) tijdens de inductiefase slechts voor bij respectievelijk 15 en 22% van de patiënten in de ATRA-ATO-arm versus 22 en 46% in de ATRA-CHT-arm. Tijdens de consolidatiefase waren deze bijwerkingen vrijwel afwezig in de ATRA-ATO-arm, terwijl ze frequent en significant vaker voorkwamen in de ATRA-CHT-arm.” Verder kwam QTc-verlenging van graad 3 tot 4 voor bij 4,4% van de patiënten in de ATRA-ATO-arm versus geen van de patiënten in de ATRA-CHT-arm en graad 3- tot 4-levertoxiciteit bij respectievelijk 11,8 en 14,3% (p=0,8) van de patiënten.
Platzbecker: “Voortgaande analyse van de APOLLO-studie zou de implementatie van ATRA plus ATO als standaardbehandeling bij patiënten met hoogrisico-APL kunnen ondersteunen.”
Referenties
1. Lo-Coco F, et al. N Engl J Med 2013;369:111-21.
2. Platzbecker U, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S102.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2024 vol 9 nummer 2
Commentaar dr. Mojca Jongen-Lavrencic, internist-hematoloog, Erasmus MC, Rotterdam
Op het gebied van acute myeloïde leukemie (AML) was er tijdens het EHA2024 Hybrid Congress veel aandacht voor menin-remmers. Dit zijn small molecules die de binding tussen menin en KNMT2A teniet doen, een verbinding die belangrijk is om HOX-genen aan te zetten die de proliferatie bij AML stimuleren. Door te zorgen dat die verbinding niet tot stand komt, wordt ook een differentiatie-blokkade teniet gedaan, waardoor cellen kunnen differentiëren.
Meerdere menin-remmers zijn in ontwikkeling. Een van de eerste, revumenib, lijkt als monotherapie heel effectief te zijn in de recidief/refractaire setting.1 In deze studie werden zowel patiënten met AML als met acute lymfatische leukemie (ALL) geïncludeerd, en zowel kinderen als volwassenen. In een nog relatief kleine groep van 57 patiënten werd bij 44% een samengestelde complete respons (CR) – alle subtypes CR bij elkaar – bereikt. Dit was voor de subgroep met KNMT2A-herschikkingen, de analyse van de NPM1-subgroep volgt later. Wat bijzonder is voor een monotherapie is dat relatief veel mensen hiermee in aanmerking kwamen voor een allogene stamceltransplantatie, en dus een curatieve behandeling aangeboden konden krijgen. De verwachting is dat deze resultaten zullen leiden tot een FDA-registratie van revumenib voor dit subtype.
Via een named-patient-programma is in Nederland de combinatie venetoclax/azacitidine in de recidiefsetting gegeven als overbrugging naar een curatieve behandeling, zoals een allogene stamceltransplantatie of donorlymfocyteninfusie (DLI). Een derde van deze patiënten was in complete remissie gekomen; dit percentage was aanzienlijk lager bij de patiënten die al eerder waren getransplanteerd of een DLI hadden gekregen.2 Uiteindelijk kon toch meer dan de helft van de patiënten door naar een transplantatie of DLI. Al met al zijn dit veel betere resultaten dan met azacitidine alleen. Ook nieuwe middelen die nu nog in fase 1 zijn zullen waarschijnlijk na venetoclax/azacitidine gaan komen.
SAR443579 is een NK-cel-engager die aan de ene kant aangrijpt op CD123, een biomarker op AML-blasten, en aan de andere kant op twee epitopen op NK-cellen, en daarmee NK-celactivatie bewerkstelligt. Hiervan werden de fase 1-escalatiedata gepresenteerd.3 In bepaalde dosiscohorten werd een redelijk aantal complete remissies gezien, al ging het om kleine aantallen patiënten. Het mooie is dat dit een heel andere vorm van therapie is, niet gericht op bepaalde mutaties. CD123 komt bij vrijwel alle AML’s tot expressie, zij het in wisselende percentages, maar de responsen lijken niet te correleren met de mate van expressie. Met T-cel-engagers wordt vaak veel cytokinereleasesyndroom gezien, maar dat was met dit middel niet het geval. Het bijwerkingenprofiel was heel gunstig en patiënten verdroegen dit middel goed. Dit soort middelen zijn interessant om te gaan combineren in de post-inductiesetting, voorafgaand aan allogene stamceltransplantatie.
In de APOLLO-studie kregen patiënten met hoogrisico acute promyelocytenleukemie (APL) een behandeling die gebaseerd is op de standaardbehandeling bij laag- en intermediair-risico-APL, met zo min mogelijk chemotherapie.4 De behandeling met ATRA + chemotherapie en langdurige onderhoudsbehandeling die standaard is bij hoogrisico-APL werd in deze gerandomiseerde fase 3-studie vergeleken met beperkte chemotherapie: inductie met twee cycli IDA, gevolgd door ATO/ATRA. Dat bleek heel effectief te zijn. Ondanks een probleem met de inclusie werd de primaire uitkomst toch bereikt: de tweejaars eventvrije overleving was 88% versus 70% in de controlearm. De toxiciteit van deze behandeling was beduidend minder. Dit gaat waarschijnlijk een nieuwe standaardbehandeling worden voor patiënten met hoogrisico-APL.
Referenties
1. Aldoss I, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S131.
2. Verdeyen K, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S137.
3. Garciaz S, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S146.
4. Platzbecker U, et al. HemaSphere 2024;8(S1): abstr S102.
In een podcast met dr. Jurjen Versluis bespreekt dr. Mojca Jongen-Lavrencic naast bovenstaande studies ook andere studies met menin-remmers en de gerapporteerde toxiciteit van deze middelen, toevoeging van venetoclax aan chemotherapie in de recidief/refractaire setting en een negatieve studie met magrolimab. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts