De vierjaarsupdate van de CheckMate 816-studie laat een aanhoudend voordeel in eventvrije overleving zien van een neoadjuvante behandeling met nivolumab plus chemotherapie versus chemotherapie alleen bij patiënten met resectabel niet-kleincellig longcarcinoom. Dr. Jonathan Spicer (Montreal, Canada) presenteerde deze data tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting. De behandeling leidde tevens tot klinisch belangrijke trends naar een betere algehele overleving en een betere longkankerspecifieke overleving.
In de fase 3-CheckMate 816-studie werden patiënten met stadium IB tot IIIA, resectabel niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) zonder EFGR-mutaties of ALK-alteraties 1:1 gerandomiseerd naar een neoadjuvante behandeling met drie cycli nivolumab plus chemotherapie of chemotherapie alleen, gevolgd door chirurgie. De primaire uitkomstmaten waren de eventvrije overleving (EFS) en het aantal pathologisch complete responsen. Deze uitkomsten zijn eerder gepubliceerd en waren statistisch significant in het voordeel van het behandelregime met nivolumab, wat deze behandeling neerzette als standaardtherapie voor patiënten met resectabel NSCLC.1 Jonathan Spicer presenteerde in Chicago de vierjaarsupdate van deze studie.2
Aanhoudend voordeel
De mediane EFS was in beide groepen bereikt. Deze was 43,8 maanden met nivolumab plus chemotherapie en 18,4 maanden met chemotherapie alleen (HR 0,66; 95% BI 0,49-0,90). “De drie behandelcycli met nivolumab laten een aanhoudend voordeel zien na vier jaar”, zei Spicer. Ook verminderde het regime met nivolumab de noodzaak voor een volgende therapie. In de nivolumabgroep had 29% van de patiënten een volgende behandeling nodig, versus 50% van de patiënten in de chemotherapiegroep.
De mediane algehele overleving (OS) was nog niet behaald in beide studiearmen. Na 48 maanden was 71% van de patiënten in de nivolumabgroep nog in leven versus 58% in de chemotherapiegroep, een statistisch niet-significant verschil (HR 0,71; 98,36% BI 0,47-1,07; p=0,045). Ook de mediane longkankerspecifieke overleving was nog niet behaald (HR 0,62; 95% BI 0,41-0,93). Na 48 maanden was het percentage longkankerspecifieke overleving 79% met nivolumab plus chemotherapie en 66% met alleen chemotherapie.
Klaring ctDNA
De OS leek ook beter met de behandeling met nivolumab ongeacht of patiënten chemotherapie met cisplatine (OS-percentage na 48 maanden van 69% versus 60%; HR 0,79; 95% BI 0,53-1,17) of carboplatine (OS-percentage na 48 maanden van 80% versus 65%; HR 0,36; 95% BI 0,16-0,81) hadden ontvangen. Daarnaast werd een OS-voordeel gezien met nivolumab plus chemotherapie versus alleen chemotherapie bij zowel patiënten die een lobectomie als patiënten die een pneumonectomie ondergingen. Spicer liet verder zien dat er voorafgaand aan chirurgie bij 56% van de patiënten in de nivolumabgroep en bij 35% van de patiënten in de chemotherapiegroep sprake was van klaring van het circulerend tumor-DNA. Spicer: “Deze klaring bleek prognostisch voor de OS.” Tot slot werden er in deze vierjaarsupdate geen nieuwe signalen rond het veiligheidsprofiel van nivolumab plus chemotherapie gemeld.
Spicer concludeerde dat deze vierjaarsresultaten van de CheckMate 816-studie de langetermijnvoordelen laten zien van een neoadjuvante behandeling met nivolumab plus chemotherapie en dat deze resultaten de toepassing van dit regime als standaardbehandeling bij resectabel NSCLC versterken.
Referenties
1. Forde PM, et al N Engl J Med 2022;386;1973-85.
2. Spicer JD, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 17): abstr LBA8010.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2024 vol 9 nummer 2
Commentaar prof. dr. Egbert Smit, longarts, Leids Universitair Medisch Centrum
Anders dan bij niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) zijn de effecten van immunotherapie bij kleincellig longcarcinoom (SCLC) tot nu toe zeer beperkt geweest. Veel studies naar monotherapie met PD-1- of PD-L1-remmers zijn negatief gebleken. Tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting is de ADRIATIC-studie gepresenteerd bij patiënten met een beperkt-stadium-SCLC.1 Zij ontvingen chemoradiotherapie en werden gerandomiseerd naar een twee jaar durende behandeling met durvalumab of placebo. De studie was zeer positief met een mediaan verschil in algehele overleving (OS) van 22 maanden in het voordeel van durvalumab. De hazard ratio (HR) was 0,73. Dit zijn heel goede resultaten voor SCLC-patiënten. Of de behandeling in Nederland vergoed gaat worden, zal afhankelijk zijn van hoe we naar deze studie kijken. Als we dit beschouwen als een adjuvante behandeling, voldoet het aan de PASKWIL-criteria. Maar als we het zien als een consolidatiebehandeling met immunotherapie na chemoradiotherapie is de HR van 0,73 niet genoeg.
Op het gebied van NSCLC werd een update gepresenteerd van de CheckMate 816-studie, met vier jaar follow-up.2 Deze studie, waarin patiënten met resectabel NSCLC gerandomiseerd werden naar een preoperatieve behandeling met nivolumab plus chemotherapie versus chemotherapie alleen, was vanaf het begin al positief. Het OS-percentage na vier jaar was 71% in de experimentele arm en 58% in de chemotherapiearm, met een HR van 0,71. Mijns inziens zou deze preoperatieve behandeling vanwege dit evidente overlevingsverschil de standaardbehandeling moeten worden. Een van de gevolgen van deze studie is dat de definitie van resectabel longkanker in Nederland is gaan verschuiven. We zullen hierbij nog goed moeten leren wie we wel kunnen opereren en wie niet. Maar vanuit deze en soortgelijke studies zien we ook dat ongeveer 15% van de patiënten wel een inductiebehandeling heeft gehad, maar niet aan een operatie toekomt. Het is op dit moment onduidelijk wat er met deze patiënten gebeurt en dat is echt een gat in onze kennis. Een ander punt is dat bij veel van de studies naar preoperatieve chemo-immunotherapie ook een adjuvante behandeling met immunotherapie is gegeven. Het is nog maar de vraag of dat echt nodig is. In dat kader heeft de NADINA-studie bij melanoom ontzettend belangrijke resultaten laten zien.
De presentatie van de LAURA-studie, waarin patiënten met EGFR-gemuteerd, niet-resectabel stadium III-NSCLC gerandomiseerd werden naar chemoradiotherapie plus observatie (de standaardbehandeling) of chemoradiotherapie plus osimertinib, kreeg een staande ovatie.3 Er was een grote winst in progressievrije overleving ten faveure van de experimentele arm met osimertinib. Een belangrijk punt van deze studie is dat er bij 85% van de patiënten in de standaardarm bij progressie sprake was van cross-over naar osimertinib. Dit verschilt duidelijk met de ADAURA-studie, waarin cross-over in eerste instantie niet was toegestaan. De vraag was toen: kunnen we niet net zo goed wachten op een recidief en dan pas osimertinib geven? Deze vraag kan beantwoord worden met de LAURA-studie. Daar zien we op dit moment (met 20% maturiteit) geen significant OS-verschil. Persoonlijk kijk ik hierbij altijd naar de cardiologen. Die wachten ook niet op een tweede hartinfarct voor ze starten met medicatie die een infarct kan voorkomen. Moet je bij longkanker dan wel een recidief afwachten? Dat recidief gaat namelijk vaak gepaard met flinke symptomatologie. Ik denk dan ook dat er veel voor te zeggen is om al in deze adjuvante/semi-adjuvante setting doelgericht te behandelen.
Referenties
1. Spigel DR, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl_17): abstr LBA5.
2. Spicer JD, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 17): abstr LBA8010.
3. Ramalingam SS, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 17): abstr LBA4.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en prof. dr. Egbert Smit naast bovenstaande studies ook data over de kwaliteit van leven in de KEYNOTE-671-studie en gaan zij in op antilichaam-geneesmiddelconjugaten in de fase 2-studies ICARUS-LUNG01 en OptiTROP-Lung01. Tevens bespreken ze de waarde van KRASG12C-remmers bij longkanker in de KRYSTAL12- en de KROCUS-studie. Tot slot gaan zij in op de DeLLphi-301-studie met tarlatamab. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts.