Uit de CC3-studie blijkt dat de toevoeging van nimotuzumab aan platinabevattende, opvolgende chemo-radiotherapie niet geassocieerd was met een significant betere éénjaars progressievrije en algehele overleving bij patiënten met lokaal gevorderd cervixcarcinoom. Wel was deze toevoeging veilig en geassocieerd met een significant beter objectief responspercentage. Deze resultaten werden tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting gepresenteerd door prof. dr. Junjie Wang (Beijing, China).
Platinabevattende, opvolgende chemo-radiotherapie (CCRT) is de standaardbehandeling bij patiënten met lokaal gevorderd cervixcarcinoom, maar ondanks deze behandeling krijgt ongeveer één derde van de patiënten een recidief of gemetastaseerde ziekte.1
In de gerandomiseerde fase 3-CC3-studie wordt bij patiënten met lokaal gevorderd cervicaal plaveiselcelcarcinoom de werkzaamheid en veiligheid onderzocht van het anti-EGFR monoklonale antilichaam nimotuzumab in combinatie met CCRT versus CCRT alleen. De primaire uitkomstmaat was de progressievrije overleving (PFS) na drie jaar. Secundaire uitkomstmaten waren onder andere het objectieve responspercentage (ORR), de éénjaars-PFS en algehele overleving (OS) en de veiligheid.
Geen significant verschil
Uit de resultaten van de CC3-studie blijkt dat de ORR 89,4% was in de nimotuzumab-arm (n=142) en 80,55% in de controlearm (n=144).2 “Er was geen significant verschil in de éénjaars-PFS en OS in beide armen. De éénjaars-PFS was 96,1% in de nimotuzumab-arm en 92,1% in de controlearm (HR 0,76; 95% BI 0,33-1,72; p=0,506) en de éénjaars-OS was in deze armen respectievelijk 99,1% en 99,0% (HR 1,52; 95% BI 0,36-6,36)”, aldus Junjie Wang.
Vergelijkbare veiligheidsprofielen
Uit de veiligheidsanalyse bleek dat er tussen beide studiearmen geen opmerkelijke verschillen waren in de veiligheidsprofielen en dat de meeste bijwerkingen van graad 1 of 2 waren. In de nimotuzumab- en controlearm waren de meest voorkomende bijwerkingen van graad 1 of 2 anemie (63,4% in de nimotuzumab-arm versus 59,7% in de controlearm), leukopenie (54,9% versus 41,7%), neutropenie (43,7% versus 41,0%) en misselijkheid (36,6% versus 43,8%).
Referenties
1. Gadducci A, et al. Anticancer Res 2020;40:4819-28.
2. Wang J, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl_16): abstr 5514.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer