Lokale consolidatietherapie resulteert niet in een significante verbetering van de progressievrije overleving ten opzichte van alleen systemische immuno- en/of chemotherapie bij patiënten met oligogemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom. Dat blijkt uit de resultaten van de NRG-LU002-studie, die dr. Puneeth Iyengar (New York, Verenigde Staten) tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting presenteerde.
Met de komst van betere systemische behandelingen is er steeds meer interesse in de toepassing van lokale consolidatietherapie om de overleving bij oligogemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) te verbeteren. Meerdere kleine studies lieten een voordeel in progressievrije overleving (PFS) zien, maar daarin werd vaak geen immunotherapie gebruikt. “De gerandomiseerde fase 2/3-studie NRG-LU002 is de grootste studie tot nu toe om te bepalen of lokale consolidatie, in de vorm van radiotherapie en/of chirurgie, de overleving van patiënten met gevorderd, oligogemetastaseerd NSCLC kan verbeteren”, aldus Puneeth Iyengar.
NRG-LU002
In het fase 2-deel van de studie werden 218 patiënten geïncludeerd met NSCLC en drie of minder extracraniële metastasen, die na vier cycli eerstelijns systemische therapie ten minste stabiele ziekte vertoonden.1 De patiënten werden 1:2 gerandomiseerd tussen systemische onderhoudstherapie (controlearm) of lokale consolidatie (bestraling en/of chirurgie) gevolgd door systemische onderhoudstherapie (LCT-arm). De meeste patiënten (90%) kregen immunotherapie met of zonder chemotherapie als systemische onderhoudstherapie, de overigen alleen chemotherapie. Iyengar: “Om zoveel mogelijk flexibiliteit toe te staan, waren alle FDA-goedgekeurde behandelingen mogelijk.” De primaire uitkomstmaat was de progressievrije overleving (PFS), waarbij een HR <0,83 nodig was om te starten met het fase 3-deel.
PFS-uitkomst niet bereikt
“De een- en tweejaars PFS-percentages waren niet statistisch verschillend tussen de twee armen van de studie”, vertelde Iyengar. De een- en tweejaars-PFS was 48% en 36% in de groep die alleen systemische therapie kreeg, en 52% en 40% in de groep met lokale consolidatie, met een HR van 0,93 (95% BI 0,66-1,31). Voor patiënten die behandeld waren met immunotherapie was de HR 0,90 (95% BI 0,61-1,32). Omdat de PFS-uitkomstmaat niet werd bereikt, werd de studie na de interimanalyse stopgezet.
De een- en tweejaars algehele overleving (OS) was 76% en 58% met alleen systemische therapie, en 77% en 54% met lokale consolidatie, en ook hierbij was er geen statistisch significant verschil.
“Er was niet echt een verschil in serieuze bijwerkingen tussen beiden armen. Er waren wel meer behandelingsgerelateerde bijwerkingen van graad 2 of hoger in de LCT-arm (84% versus 73%) en meer pneumonitis van graad 3 of hoger (10% versus 1%)”, meldde Iyengar.
Heterogeen
Hij merkte op dat de studie onder andere beperkt werd door het gebruik van veel verschillende systemische therapieën, en door aanzienlijke heterogeniteit in de patiëntenpopulatie doordat er geen selectie was op basis van predictieve biomarkers. “Deze studie was nogal heterogeen in termen van uitkomst, waardoor je brede betrouwbaarheidsintervallen ziet bij sommige van onze bevindingen. Post-hocanalyses kunnen mogelijk laten zien welke subgroepen van patiënten betere uitkomsten hadden. Maar in een tijdperk waarin systemische therapieën steeds beter worden, zal selectie van patiënten voor lokale consolidatietherapie nodig zijn op basis van additionele biologische inzichten. NRG-LU002 ondersteunt niet het routinematig gebruik van lokale consolidatietherapie, maar eerder selectieve en geïndividualiseerde behandeling gebaseerd op doelen of context van de patiënt en geleid door multidisciplinaire discussies.”
Referentie
1. Iyengar P, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 16): abstr 8506.
Dr. Astrid Danen, wetenschapsjournalist