Interimresultaten van de ADRIATIC-studie laten zien dat consolidatietherapie met durvalumab versus placebo geassocieerd was met een significant betere algehele en progressievrije overleving bij patiënten met beperkt-stadium kleincellig longcarcinoom. Daarnaast werd durvalumab goed verdragen en kwam het veiligheidsprofiel overeen met dat van eerdere studies. Deze resultaten werden tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting gepresenteerd door dr. David Spigel (Nashville, Verenigde Staten).
Concurrente chemo-radiotherapie is de standaardbehandeling bij patiënten met beperkt-stadium kleincellig longcarcinoom (LS-SCLC), voor wie de afgelopen decennia weinig nieuwe behandelingen werden geïntroduceerd. In de ADRIATIC-studie wordt de uitkomst onderzocht van consolidatietherapie met durvalumab met of zonder tremelimumab versus placebo bij patiënten met LS-SCLC zonder progressieve ziekte na concurrente chemo-radiotherapie. De coprimaire uitkomstmaten zijn de algehele en progressievrije overleving (OS en PFS). De huidige interimanalyse betrof de uitkomst van consolidatietherapie met durvalumab versus placebo.
Betere OS en PFS
Uit de resultaten blijkt dat consolidatietherapie met durvalumab (n=264) vergeleken met placebo (n=266) geassocieerd was met een statistisch significante en klinisch betekenisvolle verbetering van de OS en PFS.1 “Na een mediane follow-up van 37,2 maanden was de mediane OS in de durvalumab-arm 55,9 maanden versus 33,4 maanden in de placeboarm (HR 0,73; 95% BI 0,57-0,93; p=0,0104), een verbetering van bijna twee jaar. Na drie jaar was de OS 56,5% met durvalumab en 47,6% met placebo. Het OS-voordeel van durvalumab was aanwezig in alle vooraf gedefinieerde subgroepen, waaronder die op basis van leeftijd, geslacht, chemotherapieregime en radiotherapieschema. Na een mediane follow-up van 27,6 maanden was de mediane PFS 16,6 maanden in de durvalumab-arm versus 9,2 maanden in de placeboarm (HR 0,76; 95% BI 0,61-0,95; p=0,0161). Na twee jaar was de PFS 46,2% in de durvalumab-arm versus 34,2% in de placeboarm. Ook het PFS-voordeel van durvalumab was aanwezig in alle vooraf gedefinieerde subgroepen”, vertelde David Spigel onder luid applaus.
Goed verdragen
De mediane blootstelling aan durvalumab of placebo was negen cycli in beide armen. Spigel: “Bijwerkingen van graad 3 of 4 kwamen voor bij 24% van de patiënten in beide armen. Bijwerkingen die leidden tot stopzetting van de behandeling kwamen voor bij 16,4% van de patiënten in de durvalumab-arm versus 10,6% van de patiënten in de placeboarm. Immuungemedieerde bijwerkingen van graad 3 of 4 werden geconstateerd bij 5,3% van de patiënten in de durvalumab-arm versus 1,5% van de patiënten in de placeboarm.” De meest voorkomende bijwerkingen in de durvalumab-arm waren radiatiegerelateerde pneumonie (22,9% versus 23,4% in de placeboarm), verminderde eetlust (16,8% versus 12,8%), hypothyreoïdie (16,0% versus 3,8%) en hoesten (15,3% versus 12,1%).
Referentie
1. Spigel DR, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl_17): abstr LBA5.
Dr. Robbert van der Voort, medical writer
Congres Up-to-date 2024 vol 9 nummer 2
Commentaar prof. dr. Egbert Smit, longarts, Leids Universitair Medisch Centrum
Anders dan bij niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC) zijn de effecten van immunotherapie bij kleincellig longcarcinoom (SCLC) tot nu toe zeer beperkt geweest. Veel studies naar monotherapie met PD-1- of PD-L1-remmers zijn negatief gebleken. Tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting is de ADRIATIC-studie gepresenteerd bij patiënten met een beperkt-stadium-SCLC.1 Zij ontvingen chemoradiotherapie en werden gerandomiseerd naar een twee jaar durende behandeling met durvalumab of placebo. De studie was zeer positief met een mediaan verschil in algehele overleving (OS) van 22 maanden in het voordeel van durvalumab. De hazard ratio (HR) was 0,73. Dit zijn heel goede resultaten voor SCLC-patiënten. Of de behandeling in Nederland vergoed gaat worden, zal afhankelijk zijn van hoe we naar deze studie kijken. Als we dit beschouwen als een adjuvante behandeling, voldoet het aan de PASKWIL-criteria. Maar als we het zien als een consolidatiebehandeling met immunotherapie na chemoradiotherapie is de HR van 0,73 niet genoeg.
Op het gebied van NSCLC werd een update gepresenteerd van de CheckMate 816-studie, met vier jaar follow-up.2 Deze studie, waarin patiënten met resectabel NSCLC gerandomiseerd werden naar een preoperatieve behandeling met nivolumab plus chemotherapie versus chemotherapie alleen, was vanaf het begin al positief. Het OS-percentage na vier jaar was 71% in de experimentele arm en 58% in de chemotherapiearm, met een HR van 0,71. Mijns inziens zou deze preoperatieve behandeling vanwege dit evidente overlevingsverschil de standaardbehandeling moeten worden. Een van de gevolgen van deze studie is dat de definitie van resectabel longkanker in Nederland is gaan verschuiven. We zullen hierbij nog goed moeten leren wie we wel kunnen opereren en wie niet. Maar vanuit deze en soortgelijke studies zien we ook dat ongeveer 15% van de patiënten wel een inductiebehandeling heeft gehad, maar niet aan een operatie toekomt. Het is op dit moment onduidelijk wat er met deze patiënten gebeurt en dat is echt een gat in onze kennis. Een ander punt is dat bij veel van de studies naar preoperatieve chemo-immunotherapie ook een adjuvante behandeling met immunotherapie is gegeven. Het is nog maar de vraag of dat echt nodig is. In dat kader heeft de NADINA-studie bij melanoom ontzettend belangrijke resultaten laten zien.
De presentatie van de LAURA-studie, waarin patiënten met EGFR-gemuteerd, niet-resectabel stadium III-NSCLC gerandomiseerd werden naar chemoradiotherapie plus observatie (de standaardbehandeling) of chemoradiotherapie plus osimertinib, kreeg een staande ovatie.3 Er was een grote winst in progressievrije overleving ten faveure van de experimentele arm met osimertinib. Een belangrijk punt van deze studie is dat er bij 85% van de patiënten in de standaardarm bij progressie sprake was van cross-over naar osimertinib. Dit verschilt duidelijk met de ADAURA-studie, waarin cross-over in eerste instantie niet was toegestaan. De vraag was toen: kunnen we niet net zo goed wachten op een recidief en dan pas osimertinib geven? Deze vraag kan beantwoord worden met de LAURA-studie. Daar zien we op dit moment (met 20% maturiteit) geen significant OS-verschil. Persoonlijk kijk ik hierbij altijd naar de cardiologen. Die wachten ook niet op een tweede hartinfarct voor ze starten met medicatie die een infarct kan voorkomen. Moet je bij longkanker dan wel een recidief afwachten? Dat recidief gaat namelijk vaak gepaard met flinke symptomatologie. Ik denk dan ook dat er veel voor te zeggen is om al in deze adjuvante/semi-adjuvante setting doelgericht te behandelen.
Referenties
1. Spigel DR, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl_17): abstr LBA5.
2. Spicer JD, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 17): abstr LBA8010.
3. Ramalingam SS, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 17): abstr LBA4.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en prof. dr. Egbert Smit naast bovenstaande studies ook data over de kwaliteit van leven in de KEYNOTE-671-studie en gaan zij in op antilichaam-geneesmiddelconjugaten in de fase 2-studies ICARUS-LUNG01 en OptiTROP-Lung01. Tevens bespreken ze de waarde van KRASG12C-remmers bij longkanker in de KRYSTAL12- en de KROCUS-studie. Tot slot gaan zij in op de DeLLphi-301-studie met tarlatamab. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts.