Uit de resultaten van de borstkankercohorten van de EV-202-studie blijkt dat enfortumab vedotin antitumoractiviteit laat zien bij zowel HR-positieve/HER2-negatieve als triple-negatieve borstkanker. “De vooraf vastgestelde drempelwaarden voor de objectieve responspercentages werden echter in beide cohorten niet behaald”, zei dr. Antonio Giordano (Boston, Verenigde Staten) in zijn presentatie tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting.
Enfortumab vedotin (EV) is een antilichaam-geneesmiddelconjugaat gericht tegen nectine-4, legde Antonio Giordano uit. “Het geneesmiddel is geregistreerd voor de behandeling van volwassenen met lokaal gevorderd of gemetastaseerd urotheelcarcinoom.” In de multicenter, multicohort, nog lopende, open label fase 2-EV-202-studie wordt EV onderzocht bij patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde solide tumoren. Giordano presenteerde de resultaten van de cohorten voor HR-positieve/HER2-negatieve (HR+/HER2-) en triple-negatieve borstkanker (TNBC).1
Bevestigde ORR
In deze cohorten konden patiënten met lokaal gevorderde of gemetastaseerde borstkanker geïncludeerd worden. Zij moesten een eerdere behandeling met taxanen of antracyclines hebben gehad en één of twee behandellijnen met cytotoxische therapie. Patiënten in het HR+/HER2--cohort moesten daarnaast eerdere endocriene therapie met of zonder een CDK4/6-remmer hebben ontvangen en patiënten in het TNBC-cohort moesten behandeld zijn met een PD-1-/PD-L1-remmer (op basis van PD-L1-expressie). De primaire uitkomstmaat was het bevestigde objectieve responspercentage (ORR), bepaald door de onderzoeker. Er was sprake van een veelbelovende antitumoractiviteit als er een bevestigde objectieve respons was bij twaalf van de veertig patiënten in het HR+/HER2--cohort en tien van de veertig patiënten in het TNBC-cohort.
Nectine-4-expressie
In het HR+/HER2—cohort waren 45 patiënten geïncludeerd en in het TNBC-cohort 42. De bevestigde ORR was 15,6% in het HR+/HER2--cohort en 19% in het TNBC-cohort. “De vooraf bepaalde drempelwaarde voor ORR werd hiermee niet behaald”, zei Giordano. Het percentage ziektecontrole was respectievelijk 51,1% en 57,1%. In beide cohorten bleek de respons niet afhankelijk te zijn van de nectine-4-expressie. De progressievrije overleving was 5,39 maanden in het HR+/HER2--cohort (met een mediane follow-up van 5,45 maanden) en 3,5 maanden in het TNBC-cohort (met een mediane follow-up van 9,46 maanden). De algehele overleving in beide cohorten was respectievelijk 19,75 en 12,91 maanden (met een follow-up van respectievelijk 11,20 en 11,76 maanden).
Toekomstige mogelijkheden
“Behandelingsgerelateerde bijwerkingen kwamen bij bijna alle patiënten voor”, volgens Giordano. De meest voorkomende bijwerkingen van elke graad waren vermoeidheid, jeuk, maculopapulaire huiduitslag en misselijkheid. De meest voorkomende bijwerkingen van graad 3 of hoger waren jeuk, maculopapulaire huiduitslag en afwijkende leverenzymwaarden. In het HR+/HER2--cohort leidde de behandelingsgerelateerde bijwerkingen bij 33,3% van de patiënten tot een dosisreductie, bij 44,4% tot het onderbreken van de behandeling en bij 11,1% tot het staken van de behandeling. In het TNBC-cohort was dit bij respectievelijk 28,6%, 35,7% en 0% van de patiënten het geval.
Giordano concludeerde dat EV antitumoractiviteit laat zien bij patiënten met HR+/HER2- borstkanker of TNBC, al werd de vooraf bepaalde drempelwaarde voor ORR niet behaald. De veiligheid was hanteerbaar in beide cohorten en het veiligheidsprofiel van EV kwam overeen met eerdere rapportages. “Op basis van alle data onderzoeken we potentiële toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden voor EV bij borstkanker”, aldus Giordano.
Referentie
1. Giordano A, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 16): abstr 1005.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2024 vol 9 nummer 2
Commentaar dr. Marleen Kok, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting werden resultaten van de Destiny-Breast06-studie gepresenteerd, waarin 866 patiënten met hormoonreceptor (HR)-positieve, gemetastaseerde borstkanker die refractair waren voor endocriene therapie, geïncludeerd werden.1 Het betrof een groep patiënten met een lage (n=713, HER2 1+ of 2+ zonder amplificatie) of ultralage (n=153, HER2 0 maar wel met zwakke aankleuring van minder dan 10% van de tumorcellen) HER2-expressie. Deze patiënten werden gerandomiseerd naar een behandeling met het antilichaam-geneesmiddelconjugaat (ADC) trastuzumab deruxtecan (T-DXd) of chemotherapie naar keuze van de onderzoeker. De resultaten lieten een significante winst in progressievrije overleving (PFS) met T-DXd zien bij patiënten met HER2-laag (primaire uitkomstmaat) van ongeveer vijf maanden, met een hazard ratio van 0,62. Hiermee voldoet deze studie aan de nieuwe PASKWIL-criteria, net als de resultaten van de Destiny-Breast04, waarvoor we nog steeds op vergoeding wachten. Het zou mooi zijn als we patiënten met HR-positieve, gemetastaseerde borstkanker met T-DXd in de latere lijnen kunnen gaan behandelen. Wel zou ik graag meer resultaten zien van de patiënten met een ultralage HER2-expressie en van de patiënten met HER2-laag triple-negatieve borstkanker (TNBC).
Het ADC datopotamab deruxtecan (dato) is in het kader van de I-SPY2-platformstudie – naar de neoadjuvante behandeling van vroegstadium-borstkanker – in combinatie met durvalumab onderzocht. In deze I-SPY2.2-studie werden patiënten met HER2-negatieve borstkanker geïncludeerd.2 De studie bestond uit drie blokken. In blok A ontvingen patiënten een neoadjuvante behandeling met dato plus durvalumab. Als zij na deze behandeling een complete respons op MRI (rCR) hadden behaald, konden zij direct geopereerd worden. Als er geen sprake was van een rCR, gingen patiënten door naar blok B en eventueel blok C, waarin zij behandeld werden met een chemotherapieregime met paclitaxel of antracyclinebevattende chemotherapie. De kans op een pathologisch complete respons (pCR) bij een behandeling met dato plus durvalumab was 10% bij HR-positieve patiënten en 33% bij patiënten met TNBC. De onderzoekers hebben hierbij nog specifiek gekeken naar een subgroep van patiënten met een immuunpositief genprofiel. Bij alle patiënten met dit immuunpositieve subtype was de kans op een pCR 65%. Op basis van deze resultaten gaven de onderzoekers van de I-SPY2.2-studie aan dat dit subtype een biomarker zou kunnen zijn. Ondanks dat het een boeiende strategie is, denk ik wel dat we nog meer over dit subtype te weten moeten komen voor we dit als mogelijke biomarker kunnen gebruiken. Ook is de grote vraag of ADC’s neoadjuvante chemotherapie kunnen vervangen.
Een derde ADC waarvan resultaten gepresenteerd werden, was enfortumab vedotin. In de fase 2-EV-202-studie is enfortumab vedotin onderzocht bij verschillende solide tumoren, onder andere bij patiënten met gemetastaseerde borstkanker.3 Het middel werd toegepast in tweede behandellijn of later. De primaire uitkomstmaat, het objectieve responspercentage, was 15,6% in het HR-positieve/HER2-negatieve cohort en 19% in het TNBC-cohort. Hiermee haalde dit middel niet de vooraf vastgestelde drempelwaarde. Desondanks denk ik dat het interessant is enfortumab vedotin bij borstkanker verder te onderzoeken, in een andere setting of bij een specifieke patiëntengroep.
In het kader van immunotherapie werd de fase 3-A-BRAVE-studie gepresenteerd, waarin een behandeling met avelumab in adjuvante en post-neoadjuvante setting is onderzocht bij TNBC-patiënten.4 In deze studie werden bijna 500 hoog-risicopatiënten gerandomiseerd naar adjuvant avelumab of observatie. De follow-up was meer dan vijftig maanden. Interessant genoeg was de ziektevrije overleving (DFS, de primaire uitkomstmaat) niet significant verschillend tussen beide studiearmen, maar de secundaire uitkomstmaten algehele overleving (OS) en afstands-DFS wel. De winst in OS tussen beide armen was 8% in het voordeel van de behandeling met avelumab, met een hazard ratio van 0,66. Hoewel dit een interessante studie is, heeft immunotherapie in mijn ogen de beste kans van slagen in de neoadjuvante setting. Dat verandert met deze studie niet.
Tijdens het ASCO-congres was er ook weer aandacht voor de CDK4/6-remmers. Zo werden onder andere de resultaten van de postMONARCH-studie gepresenteerd.5 In deze studie werden patiënten met gevorderde HR-positieve, HER2-negatieve borstkanker met progressie op een eerdere CDK4/6-remmer, gerandomiseerd naar abemaciclib plus fulvestrant of placebo plus fulvestrant. Het op deze manier wisselen van CDK4/6-remmer is een interessant concept, en we zagen een kleine PFS-winst met de switch naar abemaciclib. Al is deze winst voor Nederland wellicht wat mager om deze strategie in de dagelijkse praktijk toe te kunnen passen, het bevestigde wat mij betreft wel dat abemaciclib of ribociclib de CDK4/6-remmers van voorkeur zijn, omdat de winst van de switch met name werd gezien bij de patiënten die eerder waren behandeld met palbociclib.
Referenties
1. Curigliano G, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 17): abstr LBA1000.
2. Shatsky R, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 17): abstr LBA501.
3. Giordano A, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 16): abstr 1005.
4. Conte P, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 17): abstr LBA300.
5. Kalinsky K, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 17): abstr LBA1001.
In een podcast met prof. dr. ir. Koos van der Hoeven bespreekt dr. Marleen Kok naast bovenstaande studies ook de Destiny Breast 07- en de SACI-IO HR+-studie. Tevens gaan zij in op een ctDNA-analyse van de monarchE-studie, een analyse van hormoonwaarden en de associatie met uitkomsten bij jongere vrouwen in de RxPONDER-studie, de PEARLY-studie en de Nederlandse IMPACT-studie. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts