Een daling in de waarden van circulerend tumor-DNA is geassocieerd met klinische uitkomsten van patiënten met gevorderd urotheelcarcinoom die behandeld worden met pembrolizumab. Dit blijkt uit een retrospectieve, verkennende analyse van de KEYNOTE-361-studie. Prof. dr. Thomas Powles (Londen, Verenigd Koninkrijk) presenteerde deze resultaten tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting.
In de KEYNOTE-361-studie werden patiënten met lokaal gevorderd urotheelcarcinoom gerandomiseerd naar alleen pembrolizumab, pembrolizumab plus chemotherapie of alleen chemotherapie, met meer dan 300 patiënten in elke groep. De uitkomst van de studie was negatief: er werd geen betere progressievrije overleving (PFS) of algehele overleving (OS) gezien met pembrolizumab plus chemotherapie versus chemotherapie alleen.1 “Het is belangrijk om bij grote studies die niet helemaal lopen zoals we graag zouden zien, na te gaan wat we van die resultaten kunnen leren”, zei Thomas Powles. “De KEYNOTE-361-studie is daar een mooi voorbeeld van.” Hij presenteerde tijdens het congres van de ASCO daarom een retrospectieve, verkennende analyse van het circulerend tumor (ct)-DNA in deze studie.2
Betere OS
Zowel op baseline als na drie weken werden ctDNA-bepalingen gedaan, bij 131 patiënten in de chemotherapiegroep (met een positieve ctDNA-status op baseline bij 87,2%) en bij 132 patiënten in de pembrolizumabgroep (met een positieve ctDNA-status op baseline bij 80,8%). Allereerst werden de ctDNA-waarden op baseline gecorreleerd met klinische uitkomsten (beste respons, PFS en OS). “We zagen in de pembrolizumabgroep de sterkste associatie tussen ctDNA-waarden op baseline en de uitkomsten”, zei Powles. Patiënten met lage ctDNA-waarden op baseline die behandeld werden met pembrolizumab, hadden een betere OS dan patiënten met lage ctDNA-waarden op baseline die behandeld werden met chemotherapie (HR 0,65). Bij patiënten met hogere ctDNA-waarden werd geen OS-verschil gezien tussen de groepen die waren behandeld met pembrolizumab of chemotherapie (HR 1,06).
ctDNA-klaring
Vervolgens is gekeken naar de verandering in ctDNA-waarden tussen baseline en drie weken behandelen. “Met chemotherapie zien we bij bijna alle patiënten een daling van de ctDNA-waarde in deze periode, waarbij 41% klaring van het ctDNA heeft.” Met pembrolizumab zijn deze resultaten minder opvallend, met een klaring van het ctDNA bij maar 11% van de patiënten. “Wel blijkt dat deze klaring van het ctDNA in de pembrolizumabgroep – en niet in de chemotherapiegroep – vooral optreedt bij patiënten met een diepe radiologische respons.” De sterkste correlatie tussen een afname van het ctDNA en de OS lijkt te bestaan bij patiënten die behandeld worden met pembrolizumab. Verder bleek ook dat een afname van het ctDNA in de pembrolizumabgroep vooral gezien werd bij patiënten met een hoge mutatielast en een hoge PD-L1-expressie.
Powles concludeerde dat veranderingen in het ctDNA in de pembrolizumabgroep geassocieerd zijn met klinische uitkomsten en dat ook immunobiologie hier belangrijk bij is. “Dit zijn opvallende resultaten die mogelijk een nieuw hoofdstuk binnen het onderzoek naar gevorderd urotheelcarcinoom openen”, aldus Powles.
Referenties
1. Powles T, et al. Lancet Oncol 2021;22:931-45.
2. Powles T, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 16): abstr 4518.
Drs. Bianca Hagenaars, wetenschapsjournalist
Congres Up-to-date 2024 vol 9 nummer 2
Commentaar dr. Michiel van der Heijden, internist-oncoloog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
Circulerend tumor (ct)-DNA is een gevoelige marker bij blaaskanker en er zijn veel toepassingen te bedenken waarbij het bepalen van ctDNA nuttig kan zijn. Tijdens de 2024 ASCO Annual Meeting werden ctDNA-analyses van de KEYNOTE-361-studie gepresenteerd.1 Hierbij werd gekeken naar de patiënten met voorheen onbehandeld gevorderd urotheelcarcinoom (UC) die behandeld waren met chemotherapie of pembrolizumab. Na drie weken is geëvalueerd of er sprake was van een daling of klaring van het ctDNA. Binnen de groep die pembrolizumab ontving, was minder vaak sprake van een daling of klaring van de ctDNA-waarden dan bij chemotherapie. Maar de uitkomsten in de pembrolizumabgroep met een aanzienlijke daling waren erg goed, beter dan de uitkomsten in de groep die behandeld werd met chemotherapie en ook een daling van het ctDNA had. Dit laat zien dat ctDNA een interessante marker zou kunnen zijn, zeker voor immunotherapie.
De CheckMate 901-studie heeft eerder al laten zien dat een behandeling met cisplatine/gemcitabine plus nivolumab bij een deel van de patiënten met gemetastaseerd UC tot een snelle, diepe en langdurige respons leidde, die beter was dan met alleen chemotherapie.2 Een belangrijke vraag was daarna: kunnen we de patiënten met een goede respons identificeren? In een post-hocanalyse is dit onderzocht en de resultaten werden tijdens het ASCO-congres gepresenteerd.3 Deze analyse laat, niet geheel onverwacht misschien, zien dat vooral in de groep patiënten met alleen lymfekliermetastasen het percentage complete responsen hoog was. Deze groep deed het beduidend beter met cisplatine/gemcitabine plus nivolumab dan met alleen cisplatine/gemcitabine, en heeft daar ook langdurig voordeel van.
Referenties
1. Powles T, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 16): abstr 4518.
2. Van der Heijden MS, et al. N Engl J Med 2023;389:1778-89.
3. Galsky MD, et al. J Clin Oncol 2024;42(suppl 16):abstr 4509.
In een podcast bespreken prof. dr. ir. Koos van der Hoeven en dr. Michiel van der Heijden naast bovenstaande studies ook de patiëntgerapporteerde uitkomsten van de fase 3-EV-302-studie, de interimresultaten van de SURE-01-studie naar de neoadjuvante behandeling van spierinvasief blaascarcinoom met sacituzumab govitecan, de AURA-studie naar de neoadjuvante behandeling van spierinvasief urotheelcarcinoom met avelumab en de fase 2-ULTIMA-studie naar FOLFIRINOX bij urachuscarcinoom. Deze podcast is te beluisteren op oncologie.nu/podcasts